De basis voor de economische onrust werd gelegd kort na de tragische gebeurtenissen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. Naar aanleiding van de aanslagen en het uiteenspatten van de internetzeepbel in diezelfde periode vreesde men in de VS voor een recessie. Om deze tegen te gaan verlaagde de Federal Reserve (Fed)gradueel haar rentevoet tot een historisch lage 1% in 2003. Het zou tot juni 2004 duren vooraleer de Fed zou overgaan tot de geleidelijke verhoging / normalisering van de rentevoet. Gedurende een aantal jaren was het dus erg goedkoop om geld te lenen op de Amerikaanse (geld)markt. Dit monetaire beleid leidde tot een overschot aan geld dat diende belegd te worden in rendabele projecten zoals de Amerikaanse huizenmarkt die sinds eind jaren 1990 een opleving kende. De opleving van de huizenmarkt werkte speculatie in de hand: er werden huizen aangekocht om deze later verder te verkopen tegen sterk toegenomen prijzen. Er konden tevens leningen worden aangegaan voor andere (gebruiks)goederen (wagen, wasmachine, …) op basis van de hypotheek die werd gegeven op het huis.
De Amerikaanse banken ontwikkelden in diezelfde periode een assortiment van hypotheekleningen met vaak aantrekkelijke instaptarieven: gedurende de eerste twee of drie jaar werd er een rentekorting toegekend die nadien werd verrekend door middel van een renteopslag. De verhoging van de rente heet de “step-up” en het moment waarop deze renteverhoging wordt ingevoerd heet de “reset”.
Deze twee evoluties in combinatie met de werkingsfilosofie van de banken bleken een gevaarlijke cocktail die uiteindelijk uitmondde in de crisis op de interbankenmarkt. De werking van de banken was oorspronkelijk gebaseerd op het “Originate and hold”-model : de bank beheerde haar risico’s in haar eigen portefeuille, waardoor ze dus zelf verantwoordelijk was voor deze risico’s. Dit model maakte in de Verenigde Staten echter plaats voor het “Originate and distribute”-model. Het kwam erop neer dat leningen herverpakt (= securisatie) en doorverkocht werden op de financiële markt, waardoor de risico’s werden doorgeschoven naar derden. Het dient niet te verbazen dat deze verschuiving bij een aantal banken opportunistisch gedrag in de hand gewerkt heeft. Er werden in deze context hypotheekleningen toegekend aan personen met een verminderde kredietwaardigheid, de zogenaamde “subprime-hypotheekleningen” of rommelhypotheken.
In 2006 bereikten de eerste subprime-leningen het moment waarop hun rentekorting werd omgezet in een renteopslag. De eerste betalingsproblemen staken de kop op en de eerste gedwongen verkopen van huizen werden een feit. Dit had een negatief effect op de huizenprijzen waardoor meer ontleners in de problemen kwamen. De gesecuriseerde leningen die zich ondertussen over de wereld verspreid hadden, in de vorm van diverse financiële producten, bleken een te hoge rating te hebben meegekregen die nu diende te worden bijgestuurd. Plotseling dienden er waardeverminderingen te worden geboekt op deze producten en dreigde er liquiditeitsschaarste op de interbankenmarkt. Ook de solvabiliteit van een aantal banken kwam in het gedrang.
|